Oriëntatie
Wat je leert
Van reactief naar autonoom: gebeurtenis-trigger, testpoort, mens-poort
Op niveau 4 verschuift de agent-architectuur: van reactief (jij vraagt, de agent antwoordt) naar autonoom (een gebeurtenis start de agent, niet jij). De kennisbank-agent en de service-agent van eerder deze week waren reactief; deze sessie is het derde luik van het agent-drieluik en je eerste autonome agent.
Het vehikel is een autonome agent in Copilot Studio. Eén harde voorwaarde: generative orchestration moet aanstaan, anders verschijnt de trigger-knop niet eens. Je voegt een event-trigger toe uit de trigger-library: een Recurrence-trigger voor een terugkerend tijdslot, of een gebeurtenis-trigger zoals een nieuwe mail of een nieuw bestand. De trigger levert een payload met de event-data; de agent kiest op basis van zijn instructies een actie, hij verzint er geen.
Test-voor-publiceren is de kern. Tot je publiceert reageert de agent niet vanzelf op de trigger. Dat venster is precies je testmoment: je draait het event eenmaal om een payload te genereren, klikt het Test trigger-icoon op de Overview-pagina, en inspecteert de activity map om te zien of de agent de juiste actie kiest. Pas na publiceren reageert hij automatisch op elke trigger, en logt de Activity-pagina elke gebeurtenis-naar-reactie.
Twee dingen blijven van jou. De event-trigger draait op jouw maker-credentials: alles wat de agent doet, doet hij met jouw toegang. En de agent stelt alleen een concept op; een mens geeft elke externe stap vrij. Autonoom betekent dat het werk vanzelf begint, niet dat het zonder controle de deur uit gaat.
Live case
Verdieping Voorbereiding
Voorbereiding · open als je wil checken Wat je vooraf klaar wil hebben
- Een terugkerende gebeurtenis uit je eigen werk die zich minstens een paar keer per week aandient (een nieuwe vraag in een gedeeld postvak, een nieuw bestand in een map, een vast tijdslot) en waarvan de eerste actie laag-risk is (classificeren, samenvatten, een concept klaarzetten)
- Generative orchestration aangezet op je agent (harde voorwaarde voor event-triggers); nieuwe agents staan hier standaard al op
- Microsoft 365 Copilot plus Copilot Studio-toegang, met de omgeving-instelling solution-aware cloud flow sharing aan (anders kun je geen triggers toevoegen)
- Een paar echte voorbeeld-payloads om op te testen: bijvoorbeeld drie echte binnengekomen vragen of een echt voorbeeld-stuk
Doen
De bouw-stappen
Vijf stappen van voorwaarde naar gepubliceerde agent. Stap 1 is de harde voorwaarde, stap 2 schrijft de opdracht, stap 3 voegt de trigger toe. Stap 4 is het hart: testen op een echte gebeurtenis voor je publiceert. Stap 5 publiceert met de mens-poort op zijn plek.
-
Stap 1 · Generative orchestration aanzetten
Open je agent in Copilot Studio, ga naar Settings, sectie Generative AI, onderdeel Orchestration. Zet 'Use generative AI orchestration for your agent's responses?' op Yes. Dit is geen optie maar een voorwaarde: event-triggers werken alleen met generative orchestration aan. Nieuwe agents staan hier standaard al op; controleer het toch voor je verder gaat.
-
Stap 2 · De opdracht aan de agent schrijven
Beschrijf in de agent-instructies wat de agent doet zodra de trigger vuurt. Plak prompt 1 met je eigen waarden ingevuld: de gebeurtenis, de classificatie, de concept-actie en een expliciete do-not-do-lijst. De kernregel die je letterlijk opneemt: de agent stelt alleen een concept op en maakt een taak aan, hij verstuurt nooit zelf. Zonder die grens kan een autonome agent stappen pakken die je niet bedoelde.
-
Stap 3 · Event-trigger toevoegen
Ga naar de Overview-pagina, sectie Triggers, klik Add trigger. Kies de trigger die bij je gebeurtenis past: een Recurrence-trigger voor een terugkerend tijdslot, of een gebeurtenis-trigger zoals een nieuwe mail of een nieuw bestand. Geef de authenticatie op (je maker-account) en klik Next. Configureer de event-parameters en bekijk de trigger payload: dat is de data die de agent bij elke gebeurtenis meekrijgt.
-
Stap 4 · Testen voor je publiceert
Tot je publiceert reageert de agent niet vanzelf, dus test je nu. Draai het triggerende event eenmaal om een echte payload te maken (wijs jezelf bijvoorbeeld een testtaak toe of zet een testbestand klaar). Klik op de Overview-pagina het Test trigger-icoon naast de trigger, kies de recente event-instance en klik Start testing. Open de activity map via het kaart-icoon bovenaan het testvenster en klik een node aan voor de inputs, beslissingen en outputs. Kiest de agent een verkeerde actie, scherp dan de instructies of de trigger-scope aan met prompt 2 en test opnieuw.
-
Stap 5 · Publiceren met de mens-poort op zijn plek
Publiceer de agent. Microsoft toont eerst een waarschuwing over je maker-credentials: na publiceren handelt de agent met jouw toegang op elke trigger-activatie. Lees die waarschuwing bewust. Na publiceren reageert de agent automatisch, en de Activity-pagina logt elke gebeurtenis-naar-reactie. De mens-poort blijft staan: de agent zet concepten klaar, jij geeft elke externe stap vrij voor er iets de deur uit gaat.
Stap 4 is de pedagogische kern van deze sessie. Wie publiceert zonder op een echte gebeurtenis te testen, ontdekt een verkeerde keuze pas als de agent al autonoom draait, op zijn maker-credentials, met output richting buiten.
Prompts voor je agent
Twee prompts voor de twee stappen waar je de agent instrueert. Stap 1 (orchestration), stap 3 (trigger toevoegen) en stap 5 (publiceren) hebben geen prompt: dat zijn instellingen en UI-acties in Copilot Studio. De natural-language-prompts zitten bij de opdracht schrijven (stap 2) en aanscherpen na de testronde (stap 4).
Schrijf de instructies voor een autonome agent met de volgende opzet: Gebeurtenis die de agent oppakt: [bijvoorbeeld een nieuwe mail in het gedeelde postvak, of een nieuw bestand in deze map]. Wat de agent doet zodra de gebeurtenis binnenkomt: 1) classificeer het signaal in [categorieen, bijvoorbeeld huisstijl-vraag, template-verzoek, inhoudelijk-door-naar-partner], 2) zet een concept klaar in [vaste toon of vast format], 3) maak een taak aan voor de mens-review. Acties die de agent niet mag uitvoeren: zelf iets versturen, externe communicatie de deur uit doen, financiele of klant-gevoelige stappen zetten. Kernregel letterlijk opnemen: de agent stelt alleen een concept op en maakt een taak aan, hij verstuurt nooit zelf; een mens geeft elk concept vrij.
De expliciete do-not-do-lijst is kritisch voor een eerste autonome agent. Een reactieve agent wacht op jou; een autonome agent handelt zelfstandig zodra de gebeurtenis binnenkomt, dus de grens 'alleen concept, nooit zelf versturen' is je belangrijkste veiligheidsregel. De kernregel woordelijk opnemen maakt het gedrag consistent in plaats van dat de agent zijn eigen interpretatie kiest.
Ik heb de agent getest op [aantal] echte voorbeeld-payloads en de activity map bekeken. Identificeer per testgeval of de agent de juiste actie koos. Voor elk geval waar de agent een verkeerde of te brede actie koos: scherp de instructie aan (preciezer beschrijven wanneer welke categorie geldt) of beperk de trigger-scope (bijvoorbeeld alleen dit ene postvak, alleen deze map, alleen afzenders van dit domein, alleen dit tijdvenster). Stel de instructies bij en geef per wijziging aan welke fout uit de activity map die voorkomt. Daarna test ik opnieuw voor ik publiceer.
De activity map laat per node zien welke inputs de agent kreeg, welke beslissing hij nam en welke output dat opleverde. Dat is je ruwe testdata. Een te brede trigger of een te vage instructie zie je hier terug als een verkeerde keuze; je verfijnt iteratief tot de agent op echte payloads de juiste actie kiest. Pas dan publiceer je, want na publiceren draait hij autonoom op je maker-credentials.